Altijd was er wat
Altijd was er wat
Inleiding
Sommige relaties voelen nooit als een gedeeld leven, maar als overleven met twee.
Je geeft, je buigt, je draagt — in de hoop dat het ooit lichter wordt.
Maar soms leef je met iemand die nooit echt ziet wat jij allemaal draagt, omdat ze te druk is met haar eigen wereld.(zie blog: narcisme)
Dit is geen klaagzang, maar een ontlading.
Een verhaal over altijd geven, en langzaam uitgeput raken.
Over hoe altijd wij eigenlijk nooit bestond.
---
We hebben ogenschijnlijk nooit een fatsoenlijke relatie gehad — niet echt.
Altijd waren er zorgen.
Altijd was er iets dat voorging.
Haar familie.
De kinderen, hoe oud ze ook waren.
Altijd was er wel iemand die aandacht nodig had, iemand die iets vroeg, iemand die gered moest worden.
En ik? Ik stond erbij. En ik gaf. Steeds weer.
Ik bewoog altijd mee.
Altijd droeg ik de zorg.
Altijd loste ik alles op — groot of klein.
Altijd was ik degene die financieel de gaten dichtliep, vele dingen betaalde, de rust probeerde te bewaren.
Altijd moest ik begrip tonen, hoe scheef de situatie ook was.
Ik hield vol, omdat ik dacht dat liefde zo werkte: dat geven vanzelf beloond zou worden.
Maar dat gebeurde niet.
Wat kreeg ik terug?
Een grauw.
Een snauw.
Afstand.
Geen warmte, geen intimiteit.
En dan die woorden van haar vader die door mijn hoofd blijven galmen:
> “Nog een paar jaar, dan ben je er vanaf.”
Hij had gelijk.
Een paar jaar later was ik er inderdaad vanaf — maar niet ongeschonden.
Mentaal en financieel gesloopt.
Er waren altijd problemen om op te lossen, altijd chaos die gedempt moest worden.
En telkens dacht ik: nu komt er rust.
Maar de rust kwam nooit.
Want er was altijd haar werk.
Altijd die verplichtingen, keuzes — keuzes die ze vaak alleen maakte, zonder mij.
Altijd zij en hun.
Altijd de wereld om haar heen.
En ik?
Ik was degene die bleef proberen.
Altijd maar hopen op beter.
Altijd deed ik mijn best.
Altijd gaf ik meer dan ik had.
Maar het was nooit genoeg.
Wat ik gaf, leek te verdwijnen in een bodemloze put van verwachtingen en afleidingen.
Altijd was er wat.
Een nieuw probleem, een oude wrok, een vergeten afspraak, een onuitgesproken teleurstelling.
En als ik vroeg om even stil te staan, om gewoon ons te zijn —
dan werd ik overgeslagen.
Dan was er weer iets belangrijkers.
Ze kreeg altijd de voorkeur.
Haar wereld draaide, en ik draaide mee.
Tot ik besefte: ik was niet haar partner, ik was haar achtergrondgeluid.
Altijd aanwezig, maar nooit gehoord.
Nu, als ik terugkijk, zie ik het patroon.
Altijd zij.
Altijd alles.
Altijd behalve wij.
En dat is misschien nog wel het pijnlijkste van alles —
dat altijd nooit genoeg was.
---
Slotparagraaf
Misschien is dat de bittere waarheid van geven zonder grenzen: dat je langzaam verdwijnt in de schaduw van iemand anders.
Liefde hoort te voeden, niet te verzwelgen.
En soms moet je erkennen dat je alles hebt geprobeerd — en dat het niet aan jouw inzet lag.
Dat loslaten niet de nederlaag is, maar het begin van herstel.
Ik heb alles gegeven wat ik kon.
Nu is het tijd dat ik mezelf terugvind — wat er nog over is van degene die altijd meebewoog, altijd gaf, en eindelijk mag stoppen met altijd.
Reacties
Een reactie posten