Wanneer de hulpverlener hulp nodig heeft
Hier zat ik dan. Op de stoel van de cliënt. Tenminste, dat was het plan.
Maandagochtend, elf uur. Vaste prik. Mijn vaste psycholoog. Een moment dat normaal gesproken draait om mij, mijn hoofd, mijn gedoe.
Maar het begon anders.
Het bezoek begon met een diepe zucht. Zo’n zucht die niet per ongeluk ontsnapt, maar ergens vandaan komt.
Ik keek haar aan en dacht: hoor ik dat goed?
En voordat ik het zelf doorhad, floepte het eruit:
“Dat klinkt niet best zo op de maandagochtend. Heb je er nog zin in?”
Ik zei het half lachend, half serieus. En precies dát leek genoeg.
Alsof ik onbewust een deur openzette.
Ze voelde de vrijheid om te vertellen. Over haar werk. Over hoe ze ongevraagd in een positie werd geplaatst waar ze niet om had gevraagd. Over verwachtingen die niet de hare waren. Over verantwoordelijkheden die haar werden toegeschoven. En vooral: over hoeveel energie dat vrat.
En daar zat ik. Te luisteren. Te knikken. Te herkennen.
Op een gegeven moment zei ik, meer als grap dan als voorstel:
“Zal ik anders op jouw stoel gaan zitten en jij op de mijne?”
We lachten. Maar het was ook ongemakkelijk raak.
Het gesprek duurde een kwartier. Vijftien minuten waarin het niet over mij ging.
Ik stelde geen diagnoses, gaf geen adviezen. Ik luisterde. Ik benoemde wat ik hoorde. Ik toonde begrip voor haar gevoel en haar positie. Precies datgene waarvoor ik daar zelf zat.
Toen maakte zij het bruggetje. Terug naar mij.
Over grenzen stellen. Over het aanvoelen van behoeftes. Over hoe makkelijk het is om in een rol te stappen die niet van jou is.
Ik voelde bijna bewondering: kijk, ze pakt ’m weer terug.
Tot aan het einde.
Aan het eind van de sessie zei ze een zin die bleef hangen. Zo’n zin die je pas later écht hoort:
“Mijn gereedschapskist naar jou toe is leeg.”
Ik glimlachte, maar van binnen dacht ik:
Nou lekker dan. Ik ben dus niet te helpen.
Ik liep naar buiten met een vreemd gevoel. Alsof ik én iets had gegeven, én iets was kwijtgeraakt. Alsof de rollen even verschoven waren en niet helemaal meer terug op hun plek vielen.
Misschien is dit precies waar het over gaat.
Hoe snel je ongevraagd op de stoel van de ander belandt.
Hoe vanzelfsprekend het soms voelt om ruimte te maken voor iemand anders, zelfs als die ander daar professioneel gezien niet zou moeten zitten.
En hoe dun de lijn is tussen empathie en jezelf vergeten.
Gelukkig is er beweging.
Hoogstwaarschijnlijk ga ik naar een andere organisatie. Een nieuw begin. Een andere stoel.
Eentje waar ik hopelijk gewoon weer mag zitten.
Zonder zuchten vooraf.
Reacties
Een reactie posten